Twitter Facebook Inspire Media Medema boeken bij Jongbloed
Kijk: medema is zichzelf weer, nu ook virtueel!
Welkom op mijn website, hier laat ik me graag vinden! - en ook in het gewone leven, trouwens. Ik ben Henk Medema, uitgever digitale media bij Inspire Media, theologisch onderzoeker, spreker. Hou van lezen en hardlopen (maar zelden tegelijk), en van Jezus, en van mijn vrouw Tineke, mijn kinderen en kleinkinderen. Let's be in touch!
Lees mijn blog en volg me op twitter.
Henk Medema
31
JULY

Radicale Protestanten - en méér…

Radicale Protestanten: Opkomst en ontwikkkeling van de EO, de EH en de ChristenUnie en hun opvolgers (1945-2007), diss. Amsterdam 2014, dr. Remco van Mulligen
 
Dit geschiedkundige proefschrift gaat over de breedte van de evangelische stroming in Nederland na WOII, omschreven in de geschiedenis van vooral drie organisaties en aanverwante clubs: (1) de EO die werd opgericht in 1967, met het tijdschrift (De Nieuwe) Koers dat eveneens dateert van 1967, (2) de ChristenUnie die vanaf 2000 bestaat maar voorlopers kende in RPF en GPV en (3) de Evangelische Hogeschool, gestart in 1977. Hun ontstaan en beweging was een reactie op ingrijpende veranderingen: in de wetenschap bij de gereformeerde Vrije Universieit, in de politiek bij ARP/CHU, en in de christelijke pers o.a. bij het dagblad Trouw.
Natuurlijk was er meer gebeurd in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Amerikaanse invloeden hadden geleid tot wat wij grofweg kunnen aanduiden als 'evangelicalisme' (Billy Graham, T.L. Osborn, Francis Schaeffer, Rick Warren, Bill Hybels, &c). Dat wordt hier niet zozeer besproken; in het proefschrift gaat het over een aantal antithetische tendenzen: secularisatie en vrijzinnigheid, zuilvorming, ontzuiling en weer herzuiling, fundamentalisme en sectarisme tegenover de opkomende ‘oecumene van het hart’.

Ik heb deze dissertatie met rode oortjes gelezen, deels uiteraard omdat ik het tweede deel van deze periode (door Van Mulligen aangeduid als 'Reformatie', tegenover het eerste deel dat hij 'Revolutie' noemt) van nabij heb meegemaakt. Natuurlijk niet steeds in een leidinggevende rol, maar toch heel vaak méér dan langs de rand. Wat me zo hier en daar tot de eigenwijze mening bracht dat het een beetje anders verlopen is, maar anderzijds (en dat kreeg de overhand) tot bewondering voor de accuratesse van de auteur. Het lijkt me niet zo boeiend, zelfs gepast om hem op details te bekritiseren. Maar met name drie punten vond ik opmerkenswaardig, waarvan vooral de laatste twee in kritische zin, naar onszelf als ‘spelers’ in dit toneelstuk, en tenslotte naar het proefschrift.
1. Een gebrek aan professionaliteit kenmerkte vooral de aanvangsperiode, zowel in de vroege periode van de EO als aanvankelijk bij de EH, en ook bij de voorlopers van de ChristenUnie. Er werd zelden grondig doorgedacht over leiderschap, niet in structureel noch in spiritueel opzicht, en dat is een gemeenschappelijke noemer geweest van tal van bestuurlijke conflicten.
2. De ongelofelijke 'bouwlust' die deze 'radicale protestanten' voortjoeg langs wegen waarop steeds meer stichtingen, verenigingen enzovoorts verschenen, is herkenbaar: ik kan inderdaad het aantal keren niet tellen dat ik bij zulke oprichtingsvergaderingen gezeten heb. Wat ik mezelf nu achteraf verwijt: de veel te grote mate van ‘aanzien des persoons’, het opzien naar mannen (zelden vrouwen!) met statuur en persoonlijkheid, die werden aangezocht om een belangrijke plaats in te nemen. Tja.
3. Opmerkelijk is hoe Van Mulligen éven de inhoudelijke ontwikkeling van de 'Radicale Protestanten' beschrijft. Hij doet als hij op blz. 302 verwijst naar een commentaar van Koert van Bekkum van 2005 in het Nederlands Dagblad. Johan Snel had in de herdenkingsbundel van de Evangelische School voor Journalistiek gesproken over ‘postmoderne twijfels’. Van Mulligen wijst erop dat het fundamentalisme zelf wezenlijk een moderne uiting is. Dat klopt - maar hier had ik de doctor willen horen over de overgang van moderniteit naar postmodernisme, dat niet in kaart gebracht is, maar dat al in het EO-congres ‘De Boodschap en de Kloof’ (1997) en het Belmontberaad (2000) zichtbaar en hoorbaar werd. De organisaties waren vanaf het begin kinderen van hun tijd en in die zin nooit onberoerd door de tijdgeest. Aan de hand van een voorbeeld in een discussie over abortus maakt Van Mulligen onderscheid tussen wat bij enkelen zelfs neerkwam op een herzuiling, maar toch in ieder geval een consistent vasthouden van het oude (Dorenbos, Leerling). Daartegenover waren er mensen die een wezenlijke innerlijke verandering meemaakten (De Boer, Knevel, Ouweneel), en daarin zelfs opnieuw naar elkaar en naar anderen gingen samengroeien. Van de grote conflicten in die tijd is in ieder geval, naar ik weet, de strijd binnen de EH bijgelegd in een verzoening van de hoofdrolspelers.
Het zou uitermate boeiend zijn als we niet alleen een politieke historie van de EO, CU en EH beschreven zouden krijgen, maar ook een cultureel-filosofische geschiedenis. Niet alle issues verdwenen. Nog steeds is er lang geen overeenstemming over schepping en evolutie, over de plaats van vrouwen (in het ambt, met name), over sommige pro-life issues, over homoseksualiteit, nu verbreed in LBGT-vragen. En het is gemakkelijk te zien hoe dat tot op dit moment ook de agenda bepaalt van de kerken in Nederland, wat zeker intrigerend mag heten. Zo laat deze dissertatie ons verlangen naar méér.
 

TwitterTwitterfeed @medema

RT @AaldertPrins: Sept 1 I'll start my new research project: evangelical churches in RC countries during WW2.
RT @AaldertPrins: Return2Sender: American Evangelicals in Europe - Roosevelt Academy http://t.co/akNpptqyxl
RT @stephanjoubert: Challenging to speak at a seminar on writing. Best advice: writing is rewriting