Toespraak van atheďst prof. P.B. Cliteur



Symposium naar aanleiding van het nieuwste boek van Willem J. Ouweneel: ?De God die is: waarom ik geen atheďst ben?.

Dit is de bijdrage van atheďst prof. P.B. Cliteur aan het EH-debat dat hij op 11 maart 2005 voerde met theďst prof. W.J. Ouweneel. In dit artikel heeft Cliteur ook zijn antwoorden verwerkt op de argumenten die Ouweneel tijdens het debat tegen zijn stellingen inbracht (zie diens artikel elders op deze site). Dit artikel wordt binnenkort geplaatst in het tijdschrift ELLIPS.

'We zijn hier vandaag bijeen gekomen om te vieren dat de heer Ouweneel een nieuw boek heeft uitgebracht over een thema dat mij zeer aan het hart ligt: atheďsme. Wij weten natuurlijk allemaal dat prof. Ouweneel een overweldigende hoeveelheid boeken over een groot terrein van wetenschap heeft geschreven. Ik begrijp eerlijk gezegd niet hoe dat kan. Hoe kan iemand zoveel boeken schrijven? Hoe kan iemand thuis zijn in zoveel verschillende wetenschappen? Hoe kan iemand hoogleraar zijn in de wetenschapsleer, filosofie en theologie? Het is mij een raadsel. En wanneer ik het zo formuleer, dan bedoel ik dat ook werkelijk zoals ik het zeg. Ik begrijp het gewoon niet. Het gaat mijn verstand te boven. Ik ben bijna geneigd te zeggen: God moet wel bestaan. Het ‘wonder’ Ouweneel legt daarvan onbedoeld getuigenis af. Nu moet ik ter ere van het verschijnen van het boek van Ouweneel een paar dingen zeggen over atheďsme en ook over dat boek. Dat is bijzonder moeilijk, omdat het hierbij gaat om een onderwerp waarover een geweldige spraakverwarring zou kunnen ontstaan. Dat moeten we zien te voorkomen. Misschien is het dan het beste om een paar stellingen aan u voor te leggen. Die stellingen geven aan hoe ik tegen ‘atheďsme’ aankijk. Daarbij zal ik het meer over atheďsme hebben dan over God. Ik geloof niet in het bestaan van God. Maar is iedereen die niet in het bestaan van God gelooft een atheďst? Ik denk het niet. Ik denk ook dat vele niet-gelovigen zichzelf niet graag als atheďst aangeduid zouden willen zien. Ikzelf heb geen bezwaar tegen het etiket ‘atheďst’. Integendeel, ik denk dat het goed zou zijn wanneer veel meer mensen atheďst zouden worden. Ik doe ook zelf – op mijn bescheiden manier – een beetje aan missie. Niet dat ik verwacht vandaag, hier, voor dit gezelschap, veel bekeringen te zullen bewerkstelligen, maar ik probeer het wel onder óngelovigen. Ik voer nog wel eens gesprekken met mensen die tegen mij zeggen: ‘Nee, ik geloof niet in God, maar ik wil mijzelf geen atheďst noemen, want …’ en dan volgt doorgaans dat men zich liever als ‘agnost’ wil beschouwen of dat men atheďst zo agressief vindt klinken of dat men denkt dat atheďsten moeten kunnen bewijzen dat God niet bestaat, en ja, dat kan toch niet? Enfin, een heel scala aan argumenten wordt dan tegen het atheďsme gemobiliseerd. Ik vind dat heel zwakke argumenten en ik probeer die dan ook van kritisch commentaar te voorzien. En eigenlijk doe ik dat tegen de – ik geef toe: wat utopische – verwachting dat men dan de halfslachtige positie van agnosticisme of de ‘ik-geloof-niet-maar-ik-weet-niet-waarom-niet’-positie inwisselt voor een echt manmoedig atheďsme. In dit opzicht lijk ik een beetje op Ouweneel, omdat wij beiden houden van expliciete posities. Ik ben ook dol op titels als ‘Why I am not a Christian’ of ‘Why I am a Christian’. Echt van die positiebepalingingen. In dit verweekte, postmoderne relativistische klimaat zijn die boeken natuurlijk uitzonderingen geworden. Maar daarom ook zo kostbaar. Laat ik nu proberen aan te geven hoe ik denk dat het atheďsme benaderd zou moeten worden en ook of ik kan meegaan in de wijze waarop Ouweneel dat doet. Voor het gemak zal ik dat doen in de vorm van stellingen die op elkaar voortborduren, dan kunt u gemakkelijk zien tot hoever u met mij mee kunt gaan. Enkele stellingen. Allereerst vind ik dat wie over atheďsme wil schrijven, daarvan een typering zou moeten geven. Het woord ‘atheďsme’ is hopeloos meerduidig. Sommigen gebruiken het om het standpunt weer te geven dat de mens voor een groot deel uit water bestaat. Anderen gebruiken het om de positie aan te duiden dat de natuurwetenschappen alle zingevingsvragen kunnen beantwoorden. Weer anderen verwarren het atheďsme met de wijze waarop het kan worden verdedigd, namelijk: arrogant, gelijkhebberig, militant, agressief. Al deze standpunten worden wel verdedigd, maar zij zijn daarom nog niet juist. Een tweede stelling die ik zou willen verdedigen, is dat het enigszins helpt wanneer men over dit onderwerp iets leest. Vakliteratuur over atheďsme. Die bestaat. Heel veel mensen denken dat je over dit soort zaken wel een interessant oordeel kunt vormen door een beetje op je gevoel te koersen. Zo van: ‘Hoe sta jij in het leven?’ En dan is dat een uitnodiging voor iedereen om maar wat te gaan zwatelen over de zin van het leven en het gevoel dat er toch ‘iets moet zijn’. Vreselijk vind ik dat. Ik zou het niet in mijn hersens halen zomaar wat te gaan beweren over boekhouden, DNA, het recht van Zuid-Oost Azië, de veldtochten van Napoleon of welk onderwerp je maar kunt bedenken, zonder een heel elementaire inspanning te doem om over die zaken iets te lezen. Maar er zijn maar heel weinig mensen die dat over atheďsme doen. Dat brengt mij dan op een beschrijving van ‘atheďsme’, die mij wél zinvol lijkt. Een zinvolle omschrijving van atheďsme is door het als a-theďsme te verstaan. Die ‘a’ staat dan voor de ontkenning van wat daarop volgt: ‘theďsme’. Een atheďst is volgens deze defintie iemand die de centrale claims van het theďsme niet onderschrijft. De vierde stelling heeft dan betrekking op de omlijning van het theďsme. Op zichzelf is theďsme een weinig controversiële term. Het theďsme is de positie van wie gelooft in een god van een bepaalde geaardheid. Goden kunnen natuurlijk allerlei eigenschappen hebben. Het kunnen pestkoppen zijn, zoals de Griekse goden. Het kunnen wrede goden zijn, zoals bij de Vikingen. Maar een theďst gelooft niet in een van deze goden. Theďsme is het geloof in het bestaan van één persoonlijke God. Aan die God worden ook bepaalde eigenschappen toegeschreven. Als je die eigenschappen onder één noemer zou willen brengen, zou je kunnen zeggen: hij is volkomen perfect. Maar je kunt die perfectie ook uitsplitsen naar verschillende eigenschappen, zoals: almacht, volkomen goedheid en rechtvaardigheid. Deze God heeft ook nog een bepaald werk verricht. Hij heeft de wereld geschapen. En Hij heeft die wereld niet helemaal aan zijn lot overgelaten. Hij manifesteert Zich in de wereld, hoewel Hij daarvan ook gescheiden is. Bovendien is Hij het enige juiste object van verering en zijn wij, mensen, Hem gehoorzaamheid verschuldigd. Theďsme is het gemeenschappelijk element in jodendom, christendom en islam. In alle theďstische godsdiensten heeft God ook een boek geschreven. Volgens de joden is dat het Oude Testament. Volgens de christenen is daarop een vervolg verschenen: het Nieuwe Testament. En volgens de moslims is nog een ‘derde testament’ verschenen: de koran. Mijn vijfde stelling heeft nu betrekking op atheďsme. Atheďsme is de beredeneerde en bewuste ontkenning van het theďsme. Hiervoor heb ik al gezegd dat atheďsme a-theďsme is. Wat ik er nu aan toevoeg is, dat die ontkenning een bewuste ontkenning moet zijn. Daarom zijn ook niet alle ongelovigen atheďsten: een atheďst kan redenen produceren voor zijn stellingname. Onlangs heeft uitgeverij Readers Digest een onderzoek laten uitvoeren over het geloof in God en het geloof in een leven na de dood in veertien Europese landen. In de maarteditie van het tijdschrift zou dit onderzoek worden gepubliceerd. Ruim 70 procent van de Europeanen gelooft in God. Bij de Nederlanders is dat percentage 51 procent. Het is verder door Readers Digest niet geturfd, maar als je binnen die 51 procent zou vragen wie zichzelf als atheďst beschouwt, zou waarschijnlijk te horen krijgen dat dit een klein percentage betreft. Men schat het percentage op 10 procent. Mijn volgende stelling is dat, hoe klein ook, het atheďsme wel een redelijke positie is om in te nemen. Er zijn goede argumenten voor atheďsme. Men kan die argumenten onderverdelen in intellectuele en morele argumenten. Verreweg de grootste groep atheďsten wordt geleid door onvrede over de intellectuele consistentie van het theďstisch wereldbeeld. Zij hebben bezwaren tegen de theďstische positie, omdat deze innerlijk tegenstrijdig is. Zij vragen bijv.: hoe is de almacht van God te verenigen met alle slachtoffers van de tsunami? Hoe is de almacht van God te verenigen met Auschwitz? Mijn persoonlijke redenen om voor atheďsme te zijn, hebben meer te maken met de morele kant van de zaak. Ik denk dat het om morele redenen beter is te kiezen voor atheďsme. Het probleem met het theďstisch godsbegrip is dat het mensen kan stimuleren tot een soort kadaverdiscipline ter verwerkelijking van zijn Woord. De meest heldere manifestatie van de fnuikende consequenties van het theďstisch systeem zien we op het ogenblik bij de zelfmoordterroristen: moslimextremisten bijvoorbeeld die het recht in eigen handen nemen, omdat zij de in het heilige boek voorgeschreven goddelijke straf op godslastering wel eigenhandig willen executeren. Een goed voorbeeld daarvan is Mohammed B. Hij en zijn companen zijn ontevreden over het feit dat de straf die de Nederlandse overheid oplegt bij godslastering beperkt blijft tot de in artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht voorgeschreven drie maanden celstraf. Hij zegt: ‘Dat klopt niet. Dat zou de doodstraf moeten zijn volgens de heilige schrift en de heilige traditie.’ En vanuit een bepaalde optiek, de consistent theďstische optiek, heeft hij nog gelijk ook. Maar een consistent theďsme is natuurlijk vanuit sociaal oogpunt zeer onwenselijk. Mijn volgende stelling is dat ik hiermee inderdaad een typisch a-theďstisch pleidooi heb gehouden tegen het theďsme. Het gaat mij inderdaad om a-theďsme, in de zin van een ontkenning van het godsbegrip uit de theďstische traditie. Mijn argumentatie is bijvoorbeeld helemaal niet geschikt ter bestrijding van het veelgodendom van de Grieken en Romeinen. Zowel intellectueel als moreel valt de godsdienst van de Grieken en Romeinen dan ook veel moeilijker aan te pakken dan die van de christenen, moslims en joden. Intellectueel is de Griekse godsdienst moeilijker te bestrijden dan de christelijke, omdat bijvoorbeeld het probleem van de theodicee zich hier helemaal niet voordoet. De Griekse goden zijn niet almachtig en dus kun je een vrome Griek nooit in verlegenheid brengen door te wijzen op al het lijden in de wereld. Maar ook de morele argumenten die de atheďst tegen het christendom, jodendom en de islam kan inbrengen, zijn veel moeilijker te mobiliseren tegen de Griekse godsdienst. Kritiek op Ouweneel Nu ga ik proberen om het bovenstaande toe te passen op het werk van Ouweneel. Ik doe dat niet na mijn complimenten voor zijn werk en dit werk in het bijzonder te herhalen. Ik vind het een heel mooi boek. Het bevat een schat aan informatie. Ik zal mijn kritiek op één punt toespitsen: het concept van atheďsme dat hij als uitgangspunt neemt. Ik ben mij ervan bewust dat ik daarmee vele punten laat liggen. Ik realiseer mij ook dat voor Ouweneel zelf atheďsme misschien niet het belangrijkste onderdeel is van het boek. Dat is tenslotte maar de ondertitel. Niettemin is het voor mij een belangrijk onderwerp. Ik zal mij in mijn kritiek hier voornamelijk op richten. Ouweneel omschrijft het theďsme op blz. 20 van zijn boek. Op zich vind ik het goed dat hij het atheďsme lijkt te benaderen als het contrast met het theďsme. Het verbaast mij dan een beetje dat hij bij het woordenboek van Van Dale te rade gaat voor een omschrijving van dit kernbegrip, maar heel ernstig is dat niet. Immers, ook Van Dale typeert het theďsme als het geloof in een persoonlijke, levende God, die als schepper van de wereld geldt. Nu zou men verwachten dat Ouweneel dan het atheďsme zou typeren als het contrast tot deze positie, namelijk de stelling dat zo’n persoonlijke, levende God als schepper van de wered niet bestaat. Maar dat is niet het geval. Wat is atheďsme bij Ouweneel? Hij definieert dat als volgt: ‘het geloof dat er geen god of iets goddelijks bestaat en dat je ook zeker kunt weten dat zoiets niet bestaat.’ In zijn opvatting is atheďsme dus niet alleen een contrast tot theďsme, maar een positie die veel meer omvat. Volgens Ouweneel zou een atheďst het volgende voor zijn rekening moeten nemen. Niet alleen zou hij het geloof in God moeten afwijzen, maar ook het geloof in ‘iets goddelijks’. Dat is echter een pretentie die een atheďst niet kan hebben, want dan zou eerst moeten worden vastgesteld wat het ‘goddelijke’ is. Er zijn veel dingen ‘goddelijk’. Leven in Frankrijk, roomijs met warme chocoladesaus, mijn dochter, die een danspasje maakt. Nu zegt u natuurlijk: ‘oh, maar dat is “goddelijk” in overdrachtelijke zin. Dat wordt niet bedoeld. Dat begrijp je toch wel?’ Maar dat begrijp ik niet. Althans, niet zo snel. We moeten over dat goddelijke heel wat meer zeggen, voordat we het in de definitie van atheďsme smokkelen. Voorlopig houd ik eraan vast dat atheďsme a-theďsme betekent en niet meer dan dat. Een tweede probleem is dat Ouweneel – als ik hem goed begrijp tenminste - de atheďstische positie niet alleen lijkt te contrasteren met de God van de theďstische godsdiensten, maar met elke god, dus ook die van de Vikingen, de Grieken en Romeinen. Naar mijn idee is dat een veel te ambitieuze onderneming. Mijn atheďsme is niet meer dan kritisch tegenover het theďstisch godsbeeld. Wie hele andere godsbeelden erop nahoudt, kan misschien worden bekritiseerd, maar dan niet met het instrumentarium van de atheďst. Een derde probleem is dat Ouweneel het atheďsme ook als ‘een geloof’ typeert. Dat heeft misschien te maken met het feit dat Ouweneel de theorie van de grondmotieven van Dooyeweerd overneemt. Dooyeweerd denkt dat elk theoretisch denken uiteindelijk altijd gefundeerd is in een grondmotief. Dat grondmotief noemt hij ‘religieus’. Uiteindelijk is dat een semantische kwestie. Etymologisch kun je zeggen dat alles wat een mens bindt aan zijn laatste uitgangspunt iets ‘religieus’ heeft. Maar ik vind dat zelf enigszins misleidend. Het betekent dat wie alleen aan voetballen kan denken, in voetbal zijn religie vindt. Wie gek is van Michael Jackson in de popmuziek zijn religie heeft. Vanuit een bepaalde traditie in de godsdienstfilosofie (en vooral de godsdienstsociologie) vindt men die semantiek geen probleem (Kuitert neemt dat bijv. ook over), maar ik vindt dat eerlijk gezegd ‘semantisch kerstenen’. De atheďst wordt dan ‘verslagen’, omdat in het conceptueel universum voor zijn positie eenvoudigweg geen ruimte is. Er is geen niet-religieuze positie denkbaar, want voor iedereen geldt dat hij uiteindelijk wel ergens zijn laatste ankerpunt heeft. Een vierde probleem is dat hij de stelligheid waarmee een atheďst zijn standpunt zou moeten verkondigen, in zijn definitie van atheďsme opneemt. Ouweneel zegt dat de atheďst ook zeker moet weten dat God niet bestaat. Dat vind ik vreemd. Je neemt in de definitie van theďsme toch ook niet op dat de theďst ook zeker moet weten dat God wel bestaat? Volgens mij moet je de intensiteit waarmee opvattingen worden beleden of waarmee die opvattingen worden hooggehouden, buiten de definitie laten. Je moet gewoon zeggen dat een theďst meent goede redenen te hebben voor het bestaan van God en een atheďst meent dat die redenen niet voldoende zijn. Dan heb je een duidelijk contrast. Een ander punt is dat Ouweneel in zijn definiëring lijkt op te nemen dat het atheďsme met een religieuze ijver verdedigd moet worden. Zo schrijft hij: ‘De échte atheďsten zijn de weinigen die hun standpunt niet alleen diep doordacht hebben, maar het gewoonlijk met dezelfde religieuze ijver verdedigen als theďsten en pantheďsten.’ Hoe we dit moeten waarderen, hangt ervan af wat men onder ‘religieuze ijver’ verstaat. Vooralsnog zeg ik: dat hoeft niet. Ik wil wel toegeven dat in het atheďsme in zoverre iets van een bekeringsdrang zit, dat de atheďst bereid is argumenten te fourneren voor zijn loochening van het bestaan van God. Maar of men die houding als ‘religieus’ moet typeren, hangt af van de wijze waarop men dit woord interpreteert. Het is weer wel juist, zoals Ouweneel opmerkt, dat de atheďstische positie parasitair is ten opzichte van de theďstische. In een geseculariseerde wereld zal men nauwelijks aandacht hebben voor atheďsme, zegt Ouweneel. Ik heb de indruk dat hij dat opvoert als een argument tegen het atheďsme, maar ik zie dat helemaal niet zo. Ik geef dat ruiterlijk toe. Je kunt het atheďsme in dit opzicht vergelijken met het pacifisme. Als de oorlog uit de wereld is, zullen de pacifisten een zieltogend bestaan leiden. Maar dat is toch niet een argument tegen pacifisme. Te meer niet, omdat het er niet naar uit ziet dat de oorlog werkelijk het veld zal ruimen. En hetzelfde geldt voor het theďstisch geloof. Wel kan het atheďsme natuurlijk een impuls krijgen door een versterking van de positie van het theďsme. Zo mag men aannemen dat het moslimfundamentalisme een impuls zal geven aan het atheďsme. Er zullen meer mensen komen die zeggen: ‘Hoe kunnen we die waanzin stoppen?’ ‘Zou het niet mooi zijn als men in de Arabische wereld collectief van het geloof in het hiernamaals met maagden voor de martelaren zou afkomen, want dat zou de wereld heel wat veiliger maken.’ Ouweneel neigt ertoe atheďsten ook een op de natuurwetenschappen georiënteerd wereldbeeld toe te schrijven. Zo spreekt hij van een bepaalde subcategorie van de atheďsten, de zogenaamde ‘harde atheďsten’. Dat zijn degenen ‘die geen zin en doel in het leven erkennen en strikte deterministen zijn. Zo van: alle menselijk handelen is geheel door natuurwetten bepaald: er is dus geen vrije wil.’ Ik denk persoonlijk dat determinisme niets met atheďsme te maken heeft. Natuurlijk kun je het atheďsme combineren met determinisme, zoals in de 19e eeuw wel gebeurde. Maar je kunt theďsme ook combineren met determinisme. Een van de belangrijkste argumenten van een groot 20ste-eeuws atheďst, Jean-Paul Sartre, was dat het atheďsme de mens zou bevrijden van het determinisme. Immers, het theďsme houdt de mens juist gevangen in het determinisme. Het valt eenvoudig voor te stellen hoe men theďsme en determinisme met elkaar kan combineren. Als God alwetend is, dan voorziet Hij toch alles wat zal gebeuren, ook hetgeen in de toekomst zal gebeuren. Hij ziet al hoe dit debat afloopt, terwijl het voor mij nog een verrassing is. Hij voorziet welke route ik straks naar huis zal nemen. Hij weet welke verkeerde afslag ik zal nemen en zo iets later thuiskomen dan de bedoeling was. Ligt niet alles vast? Daarbij wil ik het laten. Ik wil eindigen met waarmee ik begon, namelijk dat er eigenlijk maar één echt hard godsbewijs is. Dat is de man die daar op die stoel zit en die al meer dan honderd boeken geschreven heeft. Prof. Ouweneel is hoogstpersoonlijk het bewijs voor het bestaan van God. Die andere bewijzen zijn minder sterk.' Geplaatst: woensdag, 23 maart 2005
Henk-Jan Oudenampsen

Kijk ook bij

Snel zoeken

Uitgelicht

De schepping van God
De schepping van God
Willem J. Ouweneel

> meer info

Vijf olifanten in een porseleinkast
Vijf olifanten in een porseleinkast
Willem J. Ouweneel

> meer info

Leven door geloof
Leven door geloof
Henk P. Medema

> meer info

Gods Geest na Pinksteren
Gods Geest na Pinksteren
Frank Jabini

> meer info

Hartstochtelijk leven
Hartstochtelijk leven
Karol Ladd

> meer info

Dubbele oogst
Dubbele oogst
Else Vlug

> meer info