Henk Medema
12
AUGUST

Het Boek van wonderlijke nieuwe dingen: laten we duizelen

De Nederlands-Australische schrijver Michel Faber heeft dit boek geschreven, en ik heb er een paar dagen in ‘gewoond’ (die uitdrukking heb ik geleend van een andere recensent). Een bijzonder boek, waarin je helemaal wordt opgenomen, tegelijk vol vragen: wat is dit, waar gaat het over, wat wil de auteur zeggen?
Op het eerste gezicht lijkt het een sci-fi boek te zijn, maar dat is het toch niet echt. Het lijkt over het evangelie te gaan, en dat is ook zo, maar toch totaal anders dan je eerst dacht, en ook dan je halverwege denkt.
De hoofdpersonen: Peter, eerst drugsverslaafd e zakkenroller, nu bekeerd en prediker. Hij is door een grote interplanetair organisatie, USIC, gecontracteerd voor een opdracht om het evangelie te prediken in de veraf gelegen ruimte-kolonie Oasis, waar een groep aliens dringend behoefte heeft aan de bijbelse boodschap. Zijn vrouw, Beatrice, blijft achter op aarde. Ze houden zielsveel van elkaar, en ze vertrouwen er helemaal op dat hun huwelijk deze scheiding van vele lichtjaren zal kunnen verdragen.

 
Na een tijdje blijkt Bea bij de laatste vrijpartij zwanger geworden te zijn, en de spanning ontstaat in de correspondentie (een soort mailverkeer) met de Flits, waarin zij vertelt wat voor dramatische catastrofes er op aarde aan het gebeuren zijn, terwijl hij eigenlijk niet goed kan overbrengen wat hem overkomt in de kolonie op de verre planeet, waar hij het evangelie brengt aan de Oasis-bewoners. Er zijn van deze mensachtige wezens een paar duizend, waarvan een groeiend aantal, tenslotte ruim honderd, gelovigen zijn, liefhebbers van Jezus die verder geen namen hebben maar alleen nummers. Maar de gelovigen verwelkomen Peter van harte, als een soort apostel (Petrus?) en hebben veel interesse in het Boek van Wonderlijke Nieuwe Dingen, de Bijbel, waarvan Peter gelukkig een paar edities heeft meegenomen, onder andere zijn eigen King James uitgave, vol met aantekeningen.
Maar is dit wel echt wat het is? Wat is USIC eigenlijk voor iets? Wie zijn Peter’s collega’s, onder wie hij de enige christen is? Weten ze eigenlijk wel van die enorme rampen die zich intussen op aarde aan het voltrekken zijn? (Een van hen suggereert op een moment dat dit een soort ‘rapture’-project is, de opname van de gelovigen om aan de Grote Verdrukking te ontkomen, maar daar wil Peter niet van weten…) Zonder dat het uit de doeken wordt gedaan, lijkt achter de uitnodiging aan Peter om als prediker naar de verre planeet te komen een commerciele noodzaak te liggen, een productie-overeenkomst met de Oasis-bewoners. Peter raakt vertrouwd met zijn parochianen en er wordt een kerk gebouwd. Peters prediking is orthodox, maar niet wonderlijke en niet echt nieuw.
De spanning in de interplanetaire correspondentie tussen Peter en Bea neemt intussen toe. Wat er gebeurt, zowel op wereldniveau als in hun eigen gezin, stad en kerk neemt steeds alarmerende vormen aan. Bij de Oasis-kolonie beleeft Peter ook huiveringwekkende dingen, al blijven ‘zijn’ gelovigen hem trouw. Maar zowel bij Peter op de verre planeet, als bij Bea op aarde raakt de brandstof op die ‘hoop’ heet. Met geloof is hij naar de verre planeet gegaan. Tenslotte besluit hij, uit hopeloze liefde, weer terug te gaan naar zijn op aarde intussen verdwenen vrouw, die als laatste boodschap had bericht: 'Er is geen god'.
De laatste zin van het boek zijn de woorden uit Mattheüs 28 vers 20, en het wordt duidelijk dat die niet meer slaat op de vastheid in het geloof in Jezus, maar op het hopeloze verlangen naar de medemens die je liefhebt, door de auteur mede betrokken op het overlijden van zijn vrouw, al wordt daarvan niets in het boek vermeld. Geloof. Hoop. Liefde. De auteur legt noch deze, noch andere thema’s kant en klaar op het bordje van de lezer. Je mag er zelf over nadenken.
 
En dat moesten we dan ook maar doen. Dit boek kan ons juist als (evangelische) christenen helpen om relevante vragen te stellen, waarvan ik er maar zo een paar noem die bij me opkomen. Willen wij überhaupt enige afstand op weg gaan, willen we erop uit trekken, waar ook heen, om het evangelie te brengen? Maar welke aardse (of religieuze) subcultuur nemen we dan in ons portfolio mee? En wat drijft ons? Wat ís het evangelie eigenlijk? Wat is de rol van de Bijbel daarbij, wat zijn die wonderlijke, nieuwe dingen die daarin vervat zijn, en zijn ze ook vreemd en nieuw voor onszélf? Hoe staan we in relatie met een wereld vol van enorme catastrofes: vangen we de berichten erover op vanaf een afstand, of hébben we er ook echt wat mee? Wat hebben we met onze medemensen, bijvoorbeeld op onze werkplek, die écht niks met het christelijke geloof hebben? Kan dat wel, op lichtjaren afstand leven van iemand van wie je echt houdt? Kun je jezelf met je ‘god’ niet vreselijk voor de gek houden? En tenslotte: wat betekenen dan de laatste woorden van het eerste evangelie nog?
Veel te veel vragen, duizelingwekkend veel. Het is veel minder simpel dan we ooit dachten: wonderlijk, nieuw, en we weten er geen weg mee. Toch wel erg goed als een boek je aan het duizelen zet…
 
 
 
 
 
 
 

 

Laat hier een reactie achter



0 Reactie(s):

Recente artikelen

12
september
Ik houd mezelf JHWH voor, voortdurend’ (Psalm16:8) ‘Waak over mij, God!’ (Psalm 16:1)   Soms (vaak, misschien wel altijd) weet

Lees verder >>

01
september
interTXT   U6   Vijfentwintig kilometer boven NImes vind je zonder problemen het plaatsje Uzes. Wij zijn daar wel eens

Lees verder >>

23
july
Zou het niet prachtig zijn als er zo’n tempel was, net als bij Ezechiël, waaruit een rivier stroom die leven

Lees verder >>

Bekijk het blogarchief