Henk Medema
21
FEBRUARY

Moet je je voorstellen… dan ga je toch zoeken?!

Het raam wás eigenlijk geen raam, in het huis waar Jezus was - er zat geen glas in, dat had je in die tijd nog niet. Een opening in de muur. Er stonden mannen omheen te dringen, en om de beurt naar binnen te kijken. Oudere, strenge mannen, met ernstige gezichten, leiders in Israel. ‘ZIe je nou wel!’ zei de één tegen de ander. ‘Ik had het wel gezegd!’ zei de ander tegen de één. ‘Heb je het gezien?’ zei een derde. ‘Die twee vrouwen, daar achteraan, die zijn toch van die hoerentent in de straat hierachter? En die mannen vooraan: van de belasting, en iedereen kent ze, van die onopgeloste, slepende corruptieschandalen! Die Jezus zit daar effe gezellig met ze te eten, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.’

‘Ssst!’ zei een vierde, ‘nou even stil, ik geloof dat Jezus een verhaal gaat vertellen.’

 

Moet je je voorstellen. Een kudde schapen, zoals je die hier zoveel hebt. Laten we zeggen: een stuk of tig - hoeveel schapen heb je hier in Kapernaüm? Honderd? Nou, honderd dan, een paar mannen van het dorp zijn daar met elkaar verantwoordelijk voor, zo gaat dat.

(De oude, strenge mannen bij de raamopening hielden even hun adem in: keek Jezus nu naar hén? Ja, ze hadden het zich niet verbeeld, maar… bedoelde hij hén, dan?)

Eén van de herders is z’n werk aan het doen, in alle rust: op de schapen letten, de boel bij elkaar houden; z’n collega’s zijn even verderop. Opeens schrikt hij: daarnet zag hij dat éne schaap nog, en nu… waar was het nu? Hij kende al z’n schapen, en hij wist met feilloze zekerheid: het dier was er niet meer. Z’n adem stokte in z’n keel. Ai! Daar kon hij niet mee thuis komen. De schapen waren van de hele dorpsgemeenschap, en nu was hij er verantwoordelijk voor. Nog maar even tellen, even alle schapen bij elkaar: … zesennnegentig, zevenennegentig, achtennegentig, negenennegentig - meer waren er niet!

Nou, je kunt je indenken wat er gebeurt. Dan aarzel je geen moment, dan ga je toch zoeken? Maak je wel eens mee, toch?! Die herder gooit z’n boeltje op een hoop, roept gauw één van z’n collega’s, en legt het ‘m in een paar woorden uit: ik moet er achteraan! De ander knikt, en neemt direct de zorg voor de schapen over - spreekt vanzelf. Want als zo’n schaap merkte dat-ie verdwaald was, raakte het dier helemaal in paniek, kon zich uit angst zelfs niet eens meer bewegen, alleen nog maar pas op de plaats maken en héél hard bleren…

Dan ga je toch zoeken? De herder gaat op weg. Heel erg ver kon het schaap niet zijn, en geluid zou het genoeg maken. Maar hij moest echt z’n beide handen vrij hebben, het zou een zware klus worden, zo’n beest van dertig kilo of meer sjouwen. En het gaf écht niet mee, verstijfd als het zou zijn. En zo’n zoektocht  was niet zonder risico, met alle wilde roofdieren die aan het einde van de dag uit hun holen zouden komen, op zoek naar prooi. Niet alleen voor het schaap was het gevaarlijk, maar ook voor hem, de herder - want als hij z’n beide handen nodig had om het schaap te dragen, kon hij alleen maar ongewapend gaan. De herder voelde de adrenaline door z’n bloed stromen. Nu kwam het er op aan.

Maar geen moment dacht hij erover om de boel maar de boel te laten. Als een schaap afdwaalt, dan gaat je dat toch aan het hart? Dan ga je toch zoeken?

Het was tegen het donker dat de herder het overbekende geluid van een weggelopen schaap hoorde, hard, onophoudelijk. Hij snelde erheen, pakte het op, hield het stevig vast, met beide handen, en z’n voeten zochten de weg over het oneffen terrein, dat in de schemering al bijna niet meer te overzien was. Naar de open velden hoefde hij nu niet meer te gaan, zijn collega’s zouden de schapen al bijeen gedreven hebben en meegenomen naar huis. Ze waren, dat wist hij zeker, heel erg ongerust. Dit waren de schapen van hen allemaal, van het hele dorp zelfs, en één zo’n schaap was heel veel waard…

Daar wás hij al, en werd direct omringd door z’n vrienden en buren, in het licht dat ze onmiddellijk aanbrachten: hé, ben je er weer? Is het gelukt? De zware last van het verdwaalde schaap namen ze over, en er werd al voedsel en drinken gehaald. ‘YES!’ riep de herder uit. ‘Wees mét me blij, gewéldig blij! Kom, we gaan een feestje bouwen! En het duurde niet lang of ze zaten samen aan een heerlijke maaltijd, en hieven de drinkbeker. Lechaiim, op het leven!

Laat hier een reactie achter



0 Reactie(s):

Recente artikelen

12
september
Ik houd mezelf JHWH voor, voortdurend’ (Psalm16:8) ‘Waak over mij, God!’ (Psalm 16:1)   Soms (vaak, misschien wel altijd) weet

Lees verder >>

01
september
interTXT   U6   Vijfentwintig kilometer boven NImes vind je zonder problemen het plaatsje Uzes. Wij zijn daar wel eens

Lees verder >>

23
july
Zou het niet prachtig zijn als er zo’n tempel was, net als bij Ezechiël, waaruit een rivier stroom die leven

Lees verder >>

Bekijk het blogarchief