Henk Medema
24
DECEMBER

Vluchtelingen: mensen met wie God aan het werk is • #GROEI2016/1

Wat denk je over vluchtelingen? Iedereen vindt er wat van, lijkt het wel. We zien ze op ieder tv-journaal, en het zijn dramatische beelden. Of als kleine groepjes door de straten slenterend, als er, zoals bij ons, op loopafstand een noodopvang is of een AZC of beide. Je kunt erover in discussie raken in de buurt, de kerk, de trein, overal. We realiseren ons op een onbewaakt ogenblik dat ze mensen zijn. Kunnen we ons beeld wat aanscherpen over hoe God erover zou denken? Laten we eens serieus door de Bijbel bladeren en opletten wat we tegenkomen.

Voor deze kerstdagen een lange column, een artikel dat al geplaatst is in het tijdschrift GROEI, over een onderwerp dat ons in 2015 meer dan ooit heeft beziggehouden, en dat ons volgend jaar ook zeker niet zal kunnen loslaten. Een aantal overwegingen vanuit het Woord van God; lang niet alles wat erover gezegd kan worden, maar het mag ons stimuleren tot verder nadenken. En vooral, zoals dit artikel afsluit: tot het liefhebben van deze mensen die de HEER op onze weg gebracht heeft.

 

Vreemdelingen zijn gasten

Als naam voor een woonwinkelketen is XENOS bekend voor het grote publiek. Het Griekse woord, zoals we het in het Nieuwe Testament aantreffen, heeft een interessante dubbele betekenis: het is het woord voor ‘vreemdeling’, maar tegelijk voor ‘gast’ of ‘gastheer’. ‘Ik was een vreemdeling [Gr. xenos] en je hebt Mij gehuisvest’, zei Jezus (Matteüs 25:35). De aartsvaders uit het Oude Testament waren ‘vreemdelingen [xenoi] en bijwoners’ (Hebreeën 11:13). Wij waren, als niet-joden, ‘vreemdelingen [xenoi] van de verbondsbeloften’ (Efeze 2:12). Maar ook in iets andere betekenis: een zekere Gaius was ‘gastheer’ [xenos] van Paulus en van de hele gemeente (Romeinen 16:23).  Het werkwoord xenizoo betekent ‘gastvrijheid verlenen’, ‘huisvesten’, o.a. in Handelingen 10:6 en daar waar staat dat sommigen (bijvoorbeeld Abraham) onwetend engelen gehuisvest hebben (Hebreeën 13:2).

Als je bedenkt hoe het leven eruit zag in bijbelse tijden, is dit woordgebruik helemaal niet ‘vreemd’. Wanneer je op reis moest, hád je niets anders dan de gastvrijheid van de mensen die je onderweg ontmoette. Langs de Romeinse snelwegen waren soms wel shops, bijvoorbeeld de Tres Tabernae (Drie Winkeltjes) die in Handelingen 28:15 worden genoemd, maar daar kon je toch niet op rekenen. Meestal moest je een beroep doen op wie maar een plek had om te overnachten, al was het een hutje in een komkommerveld (Jesaja 1:8), en omgekeerd moest je een reiziger of vreemdeling niet buiten laten overnachten (Job 31:32). Het zou toch van de gekke zijn, zegt Jeremia, dat de HEER zo’n plek zou krijgen in Israël: als een vreemdeling in het land, als een  reiziger die slechts zijn intrek bij jullie neemt om te overnachten (Jeremia 14:8)?

De wetten van Mozes staan dan ook vol van voorschriften die absoluut nodig waren in een dergelijke maatschappij: mensen die geen thuis hadden, moest je helpen door ze onderdak te verschaffen. De HEER heeft de vreemdeling lief, en jullie moeten dat ook doen, zegt Mozes (Deuteronomium 10:18v). Vaak werd dit gebod gekoppeld aan de herinnering dat de Israëlieten zélf vreemdelingen waren geweest, in Egypte en op weg naar het land der belofte. De boeken van de Profeten herinneren vaak aan deze voorschriften in de Torah.

 

Vluchtelingen zijn meer én minder dan vluchtelingen

Minder? Meer? Ja, want je mag een mens niet zomaar reduceren tot een vluchteling. We hebben het over mensen. Vluchtelingen is wat ze nu aan het doen zijn. Een beroep hebben ze óók, vraag het ze maar eens, en je zult het horen: student, autotechnicus, huisvrouw, tandartsassistente, professor, musicus, kok, IT’er, lerares. De voorbeelden die ik nu kies, lijken niet zo op het beeld dat wij van vluchtelingen hadden, maar ze passen goed in het gemiddelde beeld van de mensen die nu uit Syrië komen: velen ervan zijn hoog opgeleid. Ze zijn mannen,

vrouwen en kinderen; ze hebben wel of niet een gezin, ouders, verdere familie, of ze hebben die verwanten in hun land van herkomst achtergelaten, of zijn onderweg tijdens hun zwerftochten het contact met hen kwijtgeraakt. Getraumatiseerd zijn ze vaak, maar niet altijd: sommigen zijn hoopvol op een manier waar je je wenkbrauwen bij fronst. Gelovig, meest moslims, soennietisch of sjiïetisch, soms christenen, yezidi’s, druzen, maar sceptische atheïsten óók wel. Politiek betrokken vaak, en je kunt in gesprekken met hen ontdekken hoe veelkleurig de politieke kaart van het Midden-Oosten is, maar er zijn er ook die niks meer van politiek willen horen (behalve dat ze tegen Assad zijn!). Sporters en studiebollen. Introverte en extraverte types. Mensen die nog nooit van Jezus gehoord hebben of niks van Hem willen weten, maar ook hier en daar iemand van wie je ontdekt dat hij of zij onze Heer van harte liefheeft.

Hoe ga je om met vluchtelingen? Misschien is het beter om die vraag maar te veranderen in: hoe ga je met mensen om? Afgezien van het taalprobleem is het antwoord op die vraag net zo als met onze buren en collega’s: je hebt ze lief, je hebt aandacht voor ze, je luistert naar hun verhalen en je deelt wie je zelf bent. Net zo makkelijk en net zo moeilijk.

 

Migranten zijn mensen met wie God aan het werk is

God is met ieder mens van allerlei aan het doen, of er nu niks lijkt te gebeuren in je leven, of dat de hele boel op z’n kop wordt gezet. Maar als je de bijbelverhalen leest, is het opvallend dat hart en ziel van mensen juist in beweging komen in tijden dat ze door Gods besturing ook fysiek in beweging worden gezet. Niet in Ur, zijn jarenlange vaste woonplaats, maar onderweg naar het beloofde land en daar rondzwervend beleefde Abraham de meest enerverende avonturen met zijn God. Niet de ruim vier eeuwen verblijf in Egypte, maar de doortocht door de Rode Zee en de spannende weg door de woestijn waren de momenten waarop Israël Gods wonderen ervoer. En de discipelen van Jezus kregen na zijn opstanding te horen dat hun tocht zou gaan van Jeruzalem tot het uiterste der aarde, waartoe ze al gauw zelfs door hevige vervolging werden gedwongen toen ze te lang bleven rondhangen in de heilige stad.

De Amerikaanse gemeente-opbouwdenker Alan Hirsch beschrijft in zijn boek ‘The Forgotten Ways: Reactivating the Missional Church’ hoe er overduidelijk in de geschiedenis van het christendom perioden zijn aan te wijzen waarin een geheimzinnige groei ontstond. Met name twee voorbeelden noemt hij. De eerste is de vervolgingstijd in het vroege christendom. De christenen waren in die tijd van gevangenschap en martelaarschap soms bijna onzichtbaar geworden, gevlucht naar andere landen, schuilend in de catacomben, woestijnen en spelonken. Maar toen die tijd voorbij was en de christelijke concilies werden gehouden, toen de discipelen van de Heer tevoorschijn kwamen uit hun schuilplaatsen, bleek dat er een machtige beweging was ontstaan, niet alleen in getalsmatige groei, maar ook in geloofskracht.

Een tweede voorbeeld was de tijd van christenvervolgingen in China na het midden van de twintigste eeuw; wij weten dat die zelfs nu in allerlei gebieden van de Volksrepubliek nog niet voorbij is. Het communisme meende dat ze met de culturele revolutie van Mao vrijwel het hele christendom hadden vernietigd, en ze waren van plan die klus maar gauw af te maken. Maar in het begin van de eenentwintigste eeuw bleek het aantal christenen in China enorm te zijn toegenomen, tot wel zo’n honderd miljoen, meer dan in West-Europa!

Mensen zijn kostbaar

Met ieder mens hééft God iets, niet één laat hem onverschillig. Maar in Romeinen 8 lijkt de apostel Paulus te argumenteren dat God Zich met mensen die verdrukking of vervolging te verduren krijgen extra bemoeit, niet mínder, maar juist méér, en hij citeert in vers 36 een woord uit Psalm 44: ‘Om u worden wij dag na dag gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht’.

Weliswaar gaat het daar over christenen, en over de vraag: waarom lijken zíj telkens (ook nu in Afrika, het Midden-Oosten, India, Centraal-Azië) extra getroffen te worden door verdrukking en vervolging? Dat is een heel moeilijke vraag - hoe komt het dat juist honderdduizenden christenen worden verjaagd uit de gebieden in het Midden-Oosten waar ze tot voor kort nog een verhoudingsgewijs rustig leven konden leiden?

We hebben een Brief in het Nieuwe Testament die speciaal gericht is aan ‘vreemdelingen in de verstrooiing’ (vluchtelingen dus), die vanuit het land Israël en het tegenwoordige Libanon en Syrië, de randen van de Middellandse Zee, een weg hadden gezocht naar wat wij in de tegenwoordige tijd Turkije noemen. Het is de eerste Brief van Petrus, en hij begroet de mensen aan wie hij schrijft als ‘uitverkorenen naar de voorkennis van God de Vader’. Vervolgens spreekt hij in zijn Brief over een ‘vuurgloed van vervolging’, een vuur dat de echtheid van het geloof van de geadresseerde gelovigen moet reinigen (1:7), en hen gelouterd moet bewaren, kostbaar voor God/ Het is een ‘vuurproef’, zegt Petrus: jullie hebben deel aan Christus’ lijden, en dat zal uitlopen op een uitbundige vreugde wanneer zijn luister geopenbaard wordt (4:18).

Dat is het woord voor de vluchtelingen. Voor óns is de aansporing tot bezinning, gebed, liefde, gastvrijheid (4:7vv). Velen van ons hebben jarenlang voorbede gedaan voor mensen in het Midden-Oosten, en we hoopten en baden dat er maar veel zendelingen heen gestuurd zouden worden. Wonderlijk hoe God nu die gebeden lijkt te verhoren, op een ongedachte manier: in de herfst van 2015 komen ze bij ons op de stoep staan, eenzaam, rillend van de kou, met de vraag op hun gezicht: hebben jullie iets te delen van de liefde van God?

 

Laat hier een reactie achter



0 Reactie(s):

Recente artikelen

12
september
Ik houd mezelf JHWH voor, voortdurend’ (Psalm16:8) ‘Waak over mij, God!’ (Psalm 16:1)   Soms (vaak, misschien wel altijd) weet

Lees verder >>

01
september
interTXT   U6   Vijfentwintig kilometer boven NImes vind je zonder problemen het plaatsje Uzes. Wij zijn daar wel eens

Lees verder >>

23
july
Zou het niet prachtig zijn als er zo’n tempel was, net als bij Ezechiël, waaruit een rivier stroom die leven

Lees verder >>

Bekijk het blogarchief